Pesten op school is al decennialang onderwerp van onderzoek. Waar het vroeger vaak werd gezien als een “normaal” onderdeel van opgroeien of een conflict tussen leerlingen, weten we vandaag dat dit een ernstige onderschatting is. Pesten laat diepe sporen na, niet alleen in de kindertijd maar ook op lange termijn in het volwassen leven.
Onderzoekers zoals Rodkin en Hodges (2003) toonden aan dat pesters vaak juist populair en sociaal invloedrijk zijn, in plaats van de stereotype “outsiders”. Slachtoffers daarentegen blijken vaak geïsoleerd, onzeker en sociaal kwetsbaar. Espelage en Swearer (2003) voegden daaraan toe dat er een duidelijk verband is tussen pesten en ernstige psychische problemen zoals depressie, angst en zelfs suïcidaliteit.
Het position paper van de Society for Adolescent Medicine (2005) ging nog een stap verder: pesten moet niet alleen als een schoolprobleem worden gezien, maar ook als een publieke gezondheidskwestie. Zowel slachtoffers als daders lopen een verhoogd risico op mentale én lichamelijke gezondheidsproblemen.
Van onderzoek naar praktijk
Vanaf 2010 lag de nadruk steeds meer op de vertaalslag van onderzoek naar de praktijk. Swearer en collega’s (2010) maakten duidelijk dat standaardprogramma’s tegen pesten vaak onvoldoende effect hebben. Waarom? Omdat elke school een eigen cultuur, dynamiek en uitdagingen kent. Een succesvolle aanpak moet dus maatwerk zijn en gestoeld op een whole-school benadering: ouders, leerkrachten, psychologen en leerlingen werken samen aan een veilig klimaat.
Hymel en Swearer (2015) bundelden veertig jaar onderzoek en kwamen tot dezelfde conclusie: pesten is een complex en veelzijdig probleem dat alleen kan worden aangepakt via preventie, samenwerking en contextspecifieke interventies.
Nieuwe perspectieven en methodes
In de meest recente literatuur staat de rol van professionals en innovatieve therapieën centraal. O’Brien, Campbell en Whiteford (2024) tonen aan dat schoolpsychologen en -counselors vaak te weinig worden ingeschakeld in antipestbeleid. Vaak worden zij pas betrokken bij incidenten of disciplinaire maatregelen, terwijl zij juist kunnen helpen met preventieve strategieën, training van leerkrachten en individuele begeleiding van leerlingen.
Daarnaast wijst Frank (2024) op de kracht van narratieve therapie. Verhalen kunnen fungeren als co-therapeuten: door ervaringen in verhaalvorm te gieten, krijgen jongeren grip op hun emoties, betekenis in hun ervaringen en een sterker gevoel van identiteit. Dit kan een waardevolle aanvulling zijn op meer klassieke methoden.
Internationale trends
Het onderzoek naar pesten beperkt zich al lang niet meer tot één regio. Pasmawati et al. (2025) analyseerden tien jaar aan publicaties en kwamen tot de conclusie dat het meeste onderzoek nog steeds uit de VS, het VK en Australië komt. Toch groeit de internationale aandacht, en daarbij valt op dat cyberpesten en anti-geweldeducatie nog te weinig onderzocht worden, terwijl dit juist thema’s zijn die wereldwijd steeds belangrijker worden.
De rode draad
Alle studies komen tot dezelfde kern: pesten is intentioneel, herhaald gedrag waarbij er altijd sprake is van een machtsongelijkheid. De gevolgen zijn ernstig:
- Slachtoffers hebben een verhoogd risico op depressie, angst, suïcidaliteit en schooluitval.
- Pesters lopen zelf een grotere kans op antisociaal gedrag, criminaliteit of gewelddadig gedrag in hun latere leven.
Een effectieve aanpak vraagt daarom om drie dingen:
- Versterking van de rol van schoolpsychologen en andere professionals, hun expertise moet structureel ingezet worden.
- Innovatieve methoden zoals narratieve therapie die jongeren helpen veerkracht op te bouwen.
-
Meer internationale en culturele aandacht, met name voor cyberpesten en digitale veiligheid.
